van de toppen eener rots op gruwelijke wijze naar beneden werpen. Na den ongelukkigen afloop van den oorlog met Jehoas, den koning van Israël, (zie bl. 136) brak er een oproer tegen hem in zijne hoofdstad uit. Hij vluchtte naar Lachis, waar hij evenals zijn vader door de handen van saamgezworenen omkwam.
Gelukkiger was Juda weder onder het bestuur van zijn zoon Uzzia of Azarja. Deze streed voorspoedig tegen de Philistijnen, de Ammonieten en eenige Arabische stammen, liet Jeruzalems muren versterken, bracht het krijgswezen op een beteren voet en bevorderde landbouw en veeteelt. Zijn voorspoed maakte hem echter hoovaardig en eerzuchtig, zoodat hij eindelijk ook het hoogepriesterschap aan zijne koninklijke waardigheid wilde verbinden. Hij verscheen met een wierookvat in het heiligdom, om het reukwerk voor God te ontsteken. De hoogepriester Azarja, dien 80 moedige priesters volgden, wees hem op het ongeoorloofde dier handeling. De koning geraakte daardoor in toorn, zoodat erge wanordelijkheden dreigden uit te barsten. Maar eensklaps vertoonden zich vlekken van melaatschheid op ’s konings voorhoofd, waardoor hij niet alleen genoodzaakt was, den tempel te verlaten maar ook de rest zijner jaren in afzondering moest leven. Daar hij zich ten gevolge dier onge-neeselijke ziekte niet meer met de regeeringszaken kon belasten, droeg hij het bestuur op aan zijn zoon Jotham. 1)
Ook deze onderscheidde zich door moed en dapperheid. Hij onderwierp de Ammonieten, die hem eenige jaren schatplichtig bleven. Ofschoon hij persoonlijk vroom en godvruchtig was, schijnt hem de kracht ontbroken te hebben, om het toenemend zedenbederf in zijn rijk tegen te gaan.
HOOFDSTUK LXXXVIII.Godsdienstige achteruitgang. — Jesaja.
Het waren in de eerste plaats de aanzienlijken, »de vorsten van Juda'\ door wie ongetwijfeld de hoogste en aanzienlijkste ambten in den staat bekleed werden, wier slecht voorbeeld op de lagere klassen der bevolking zeer nadeelig werkte. Ter wille van omkooping maakten zij zich aan rechtsver-
1
Uzzia s levensgeschiedenis werd beschreven door Jesaja, die in diens sterfjaar als profeet optrad. Dit geschrift is benevens verschillende andere historische bronnen over Israël} enJudas koningen voor ons verloren gegaan.