146
HOOFDSTUK LXXXVII.
Jehoas. — Amatsja. — TJzzia. — Jotham.Niet alleen gedurende zijne prille jeugd, maar ook nadat hij meerderjarig geworden was, volgde Jehoas het edele voorbeeld van zijn godvruchtigen oom, aan wien hij zijn leven en den troon te danken had. Hierdoor »deed hij wat goed J was in de oogen Gods.” Daar hij gaarne den tempel, die in vervallen staat verkeerde en wiens schatten Athalja aan den 2?aa/-dienst ten koste gelegd had, wilde herstellen, gebood hij priesters en Levieten, door het geheele land gelden tot dit doel in te zamelen. Toen dezen echter draalden met de uitvoering van dit bevel, verkreeg hij het benoodigde geld op eene andere wijze. Hij liet aan den ingang van het heiligdom eene kist plaatsen, waarin ieder tempelbezoeker zijne gift kon storten. Men offerde met milde hand, zoodat er spoedig genoeg was, om het heiligdom te herstellen en weder nieuwe tempelgereedschappen te vervaardigen.
Nauwelijks echter was Jehoas’ trouwe leidsman Jehojada overleden ’), of hij liet zich door de verderfelijke inblazingen van slechte en goddelooze raadslieden tot het zinnelijk Heidendom verleiden. Daardoor geheel verblind, liet hij den priester Zecharja, den zoon van zijn oom en weldoener, op wreede wijze in het tempelvoorhof dooden, toen deze hem zijn misdadig gedrag voor oogen hield. »God ziet het en zal mij wreken,” riep de zieltogende priester uit. Zijne voorspelling werd spoedig bevestigd. Na verloop van een jaar deed Chazaël, koning van Syrië, een inval in Juda, waar hij evenals in het rijk Israël groote verwoestingen aanrichtte. Eerst nadat Jehoas hem alle schatten van zijn paleis en van den tempel uitgeleverd had, verliet hij het land. De algemeen gehate vorst werd kort daarna, nog ziek door de wonden, die hij in den oorlog tegen de Syrlérs bekomen had, op zijne legerstede door zijne hovelingen vermoord.
Zijn zoon en opvolger Amatsja schijnt een man van een wispelturig karakter geweest te zijn. Zoo spaarde hij, gedachtig aan het woord Gods: »de kinderen mogen niet gedood worden wegens de zonden hunner ouders,” de kinderen van de moordenaars zijns vaders, maar liet daarentegen in een oorlog tegen de Edomieten 10,000 gevangenen
*) Hij bereikte den ouderdom van 130 jaar en werd wegens zijn deugdzaam en verdienstelijk leven in den koninklijken grafkelder begraven.