I4i
staat met een groot gevaar bedreigd. In Reckab’ams vijfde regeeringsjaar deed Staak, de koning van Egypte, met een talrijk leger, bestaande uit Egyptische, Lybische en Ethiopische strijders, een inval in Juda. Hij veroverde achtereenvolgens de voornaamste vestingen en drong eindelijk tot de hoofdstad door. De afgedwaalde vorst was echter nog voor edele indrukken vatbaar. Door de vermanende woorden van den profeet Semaja vernederde hij zich weder voor God, die zijn gebed dan ook niet onverhoord liet. Evenwel kon hij Sisak niet anders dan met opoffering van zijn eigen rijkdommen en van de tempelschatten bewegen, zijn gebied te verlaten. Met Jarob'am, den koning van Israël, was hij voortdurend in oorlog gewikkeld.
Zijn zoon en opvolger Abia zette dien met gelukkig gevolg voort. Gedurende zijn kortstondig bestuur gingen verscheiden steden voor Israël verloren, daar hij eene schitterende overwinning op Jarob'am behaalde.
Met Abia's zoon Asa beklom een deugdzaam vorst den troon en brak voor [uda een tijd van welvaart en geluk aan. Hij staakte de vijandelijkheden met het broederrijk, om zich uitsluitend aan de zedelijke en stoffelijke belangen zijner onderdanen te kunnen wijden. Om den voorvaderlijken godsdienst te herstellen, liet hij de afgodsbeelden en offerhoogten vernietigen, de gewijde bosschen omverhalen, de altaren verbrijzelen, in één woord, alle sporen van het Heidendom uit zijn rijk verwijderen. Eveneens wijdde hij zijne krachten aan de verbetering van het inwendig staatsbestuur; hij liet nieuwe vestingwerken aanleggen, breidde de legermacht aanzienlijk uit, kortom hij volgde geheel het voetspoor van zijn stamvader David. Te midden van zijn kalm en weldadig bestuur werd hij verontrust door een inval van Zêrach, den koning van Ethiopië, die met een ontzaglijk leger (een millioen strijders en 300 oorlogswagens) tot Marêsa, dicht bij Jeruzalem, doorgedrongen was. Ofschoon ook Asa over een leger van ongeveer 600,000 man beschikken kon, stelde hij evenwel daarin geen onbepaald vertrouwen, maar riep vóór het begin van den veldslag Gods bijstand in. Zijn gebed werd verhoord. Zérach leed eene volkomen nederlaag. Door deze schitterende overwinning nog meer in zijne godsvrucht versterkt, vierde Asa na zijne terugkomst te Jeruzalem een plechtig feest, om bij deze gelegenheid zijne onderdanen nogmaals op te wekken tot een vromen levenswandel, tot deugd en zedelijkheid. Men bood het buitgemaakte vee den Eeuwige als zoenoffers aan en zwoer »Hem steeds te blijven dienen en te vereeren.”
Na een langen tijd van rust werd Asa weder in oorlog gewikkeld met Basa, koning van Israël, die met de be-