132
verbeeldde, het gewoel te vernemen van een uit de verte aankomend leger. In de meening, dat het vreemde huurtroepen waren, om Samaria te ontzetten, namen de Syriërs ijlings de vlucht met achterlating van al hun levensmiddelen en bagage. Dit voorval werd den volgenden ochtend in Samaria bekend gemaakt door vier mannen, die wegens melaatschheid reeds geruimen tijd buiten de stad doorgebracht, maar eindelijk, door de wanhoop gedreven, besloten hadden, naar het leger der Syriërs over te loopen, om wellicht aldaar hun leven te redden. Hoe verbaasd stonden zij echter, toen zij een grooten voorraad spijs, maar geen enkelen strijder in het vijandelijk kamp aantroffen. Zij haastten zich, Samaria's poortwachters dit heugelijk nieuws mede te deelen. De koning, wien dit onmiddellijk ter oore kwam, meende in den beginne, dat het een krijgslist der Syriërs was, maar overtuigde zich weldra van de waarheid der verblijdende tijding. Het uitgehongerde volk stormde naar buiten, om zich te verzadigen aan de buit gemaakte spijzen. Een van ’s konings dienaren, die zich van te voren op spottende wijze over Elisa’s voorspelling uitgelaten en haar geheel in twijfel getrokken had, vond zijn dood in het gedrang aan de poort der stad.
Nog in zijn laatste regeeringsjaar hervatte Jehoram den oorlog met Syrië over het bezit van de vesting Jiamoth. Ben-Hadad was intusschen gedood door een zijner hovelingen, Chazaël, wien Elisa reeds te voren den troon van Syrië toegezegd had, ofschoon het hem niet onbekend was, dat de Israëlieten veel ellende van hem te wachten hadden. Jehoram trok in vereeniging met zijn neef Achazja, den koning van Juda, tegen Chazaël ten strijde, maar leed de nederlaag en werd zoo zwaar gewond, dal hij zich ter verpleging naar zijn paleis te Jizre'eel liet vervoeren. Thans was het oogenblik genaderd, waarop de opdracht, die de profeet Elia te Choreb ontvangen had, geheel ten uitvoer zou gebracht worden. Op Elisa's bevel begaf zich een der jongere profeten naar Ramoth, om Jehorams onderbevelhebber Jêhu, in het geheim tot koning van Israël te zalven en hem te gebieden, Achabs geslacht geheel uit te roeien.
Zoodra Jéhu zijnen makkers op hun aandringen het geheim medegedeeld had, huldigden zij hem openlijk tot koning, zoodat dit weldra bij het geheele leger bekend werd. Op zijn bevel trok men onmiddellijk van Ramoth naar Jizre'eel, waar zich de koningen van Israël en fuda bevonden. Toen dezen tot hunne verbazing Jêhu's komst vernamen, zonden zij hem eenige malen achtereen boden te gemoet, om het oorlogsnieuws te vernemen. Daar dezen echter niet terugkeerden, maar zich bij het leger aansloten, togen zij eindelijk