pleegde hij niet den profeet Elia, maar zond hij eenige malen boden naar Ekron, om het orakel van Ba'al-Zebub omtrent den afloop zijner ziekte te ondervragen. Elia ging echter den gezanten te gemoet met de voorspelling, dat ’s konings dood onherroepelijk besloten was. Toen hij dan ook na een bestuur van twee jaar kinderloos overleed, werd hij opgevolgd door zijn broeder Jehoram.
Omstreeks dien tijd eindigde ook het heilige en godgewijde leven van den profeet Elia. Terwijl hij met zijn leerling Elisa, dien hij op zijn naderend levenseinde voorbereidde, langs de Jordaan liep, werd hij te midden eener hemelsche verschijning door een stormwind van diens zijde weggerukt. Elisa, in wien de geest zijns meesters in dubbele mate bleef voortleven, was zeer getroffen door deze plotselinge verdwijning. »Mijn vader, mijn vader, Israëls wagen en ruiterij!” waren de laatste woorden, die hij zijn beminden leeraar toeriep. Evenals deze ijverde ook hij tegen het Heidendom, zoodat het waarschijnlijk aan zijn invloed moet toegeschreven worden, dat Jehoram minder ontaard was dan zijne ouders en dat hij het ifa’a/-beeld, door zijn vader opgericht, vernietigde. Toen deze vorst de Moabieten weder tot onderwerping wilde brengen, riep ook hij de hulp in van Jehosaphat, die zich daartoe gaarne bereid verklaarde, mits weder vooraf een profeet Gods geraadpleegd wierd. Ook Juda's vazal, de koning van Edom, sloot zich met zijn leger bij de beide vorsten aan. De verbonden legers zagen aanvankelijk hunne onderneming met den besten uitslag bekroond, zooals trouwens Elisa reeds voorspeld had. Maar in het laatste oogenblik van den strijd vond er eene voor ons nog niet opgehelderde gebeurtenis plaats, waardoor de krijgskans keerde en de vereenigde legers tot den terugtocht genoodzaakt werden.
Ook onder Jehorams bestuur was Israël voortdurend met Syrië in oorlog gewikkeld. Ben-Hadad sloeg eindelijk het beleg om Samaria, dat hij, door den toevoer van levensmiddelen af te snijden, tot de overgave wilde dwingen. Ten gevolge daarvan begon een hevige hongersnood binnen zijne muren te woeden; de ellende was zoo groot, dat moeders zich met het vleesch van hare eigen kinderen voedden. De koning wilde zich in zijne radeloosheid op Elisa wreken, daar hij hem de schuld van deze vreeselijke volksramp toeschreef. Maar deze verzekerde hem, dat reeds den volgenden dag redding zou opdagen en de prijs der levensmiddelen ten gevolge van den grooten voorraad zeer laag zou zijn. Deze voorspelling, hoe ongeloofelijk ook, bevestigde zich ten volle door de volgende gebeurtenis. In het kamp der belegeraars ontstond plotseling een algemeene schrik, doordien men zich