den. Hij zelf verliet hierop het land, hield zich eerst ge-ruimen tijd op bij de beek Kerith en trok, toen deze opgedroogd was, naar de Phoenicische stad Tsarphas (Sa-repta). Aldaar ontmoette hij eene arme weduwe, die hem op zijn verzoek te drinken gaf. Toen hij haar ook om een stuk brood vroeg, verzekerde zij hem, dat haar geheele voorraad slechts bestond in wat meel en olie, van welk overschot zij den laatsten maaltijd voor zich en haren zoon wilde bereiden. De profeet zeide haar, dat zij zich volstrekt niet ongerust behoefde te maken, daar door een goddelijk wonder de voorraad niet verminderen zou. Inderdaad konden zij zich van het weinige meel en het eene kruikje olie onderhouden, zoodat zij van den hongerdood gespaard bleven. Toen na eenigen tijd de zoon der weduwe zwaar ziek werd en eindelijk geene teekenen van leven meer gaf, was het alweder Elia, door wiens vurig gebed de levensgeesten terugkeerden. Hij gaf der dankbare moeder haar zoon gezond terug, die daardoor duidelijk begreep, dat Elia »een man Gods” was.
Nadat de hongersnood reeds drie jaar in het rijk Israël gewoed had, begaf zich Elia op Gods bevel tot Achab, om hem mede te deelen, dat de lang verwachte regen eindelijk zou nederdalen. Onderweg ontmoette hem Obadja, ’s ko-nings hofbediende, die juist het land doortrok, om nog wat voeder voor Achabs vee te zoeken. Met ontzetting deelde deze hem de gruwelen mede, die door Izébel in diens afwezigheid bedreven waren, en wees hem op het groote gevaar, waaraan hij zich blootstelde, wanneer hij voor den koning verscheen. Elia vreesde echter niet, maar gelastte Obadja, zijn vorst mede te deelen, dat hij nog dienzelfden dag voor hem zou verschijnen. Toen de koning den ern-stigen boetprediker bij de eerste ontmoeting toeriep: »zijt gij het, beroerder van Israël F' antwoordde deze hem onbeschroomd: »niet ik, maar gij zelf zijt de oorzaak van de ongelukken uws volks. Uw verfoeielijke £a’a/-dienst heeft het in diepe ellende gedompeld. Verzamel het, zoo ging hij voort, op den berg Karmel, waar ik het in tegenwoordigheid van zijne valsche profeten en heidensche priesters van mijne Goddelijke zending zal overtuigen.” Geheel doordrongen van het gewicht zijner heilige roeping, verscheen Elia op den berg Karmel voor een talrijke menigte, die wankelde tusschen het geloof aan den eenigen God en den Ba'al. Zijn kort maar kernachtig woord: »tot hoe lang nog zult gij twijfelachtig blijven; kiest tusschen God en Ba’al" maakte zulk een overweldigenden indruk, dat niemand het waagde hem te antwoorden. Men begreep wel, dat deze man van streng ernstige beginselen zich niet