126
Een zekere Naboth bezat een wijnberg, die vlak grensde aan het paleis van Achab te Jizre'eel. Daar de koning zijn moestuin wilde uitbreiden, wenschte hij dien wijnberg van Naboth te koopen of hem daarvoor een beteren in de plaats te geven. Maar deze weigerde van dit landgoed afstand te doen, daar het een vaderlijk erfdeel was. Dit maakte Achab neerslachtig en gemelijk. Zijne snoode gemalin verweet hem zijne zwakheid en verzekerde hem, dat hij weldra Naboths landgoed in zijn bezit zou krijgen. In een schrijven gelastte zij uit naam des konings den oudsten en voornaamsten burgers van Naboths woonplaats, valsche getuigen om te koopen, die hem in eene volksvergadering zouden beschuldigen, dat hij God en den koning gelasterd had en hem wegens deze misdaad ter dood te veroordeelen. Dit bevel werd zonder eenig gemoedsbezwaar opgevolgd. Het volk steenigde Naboth, die hierdoor geheel onschuldig het slachtoffer werd van Izébels laaghartig en helsch plan. Toen Achab naar Jizre'eel toog, om den wijnberg in bezit te nemen, ging hem de profeet Elia op Gods bevel te gemoet. >Op dezelfde plaats, zeide hij hem, waar de honden Naboths bloed opgelikt hebben, zullen zij ook uw bloed en dat van Izêbel oplikken. Gelijk de geslachten van Jarob'am en Basa zal ook het uwe uitgeroeid worden.” Deze vreeselijke voorspelling drukte hem diep ter neder; wel een bewijs, dat hij nog niet geheel doof was voor het woord Gods.
Het volk, dat het pad van deugd en zedelijkheid geheel had verlaten, had thans groote behoefte aan een geloofsheld, die zich noch door de beleedigende taal van den lichtzinnigen en ijdelen Achab, noch door de woede van de schaamte-looze Izibel liet ontmoedigen, om het Heidendom in zijne akelige naaktheid ten toon te stellen. Deze krachtige figuur trad eindelijk op. Het was de zoo even genoemde Elia de Tisbiet.
HOOFDSTUK LXXVIH.
Elia.In vurige en bezielende taal ijverde deze beroemde profeet tegen de afgoderij, die hij — zij het dan ook voor korten tijd — met gunstig gevolg onderdrukt heeft. Het volk was reeds te diep gezonken, dat zijn optreden, van hoeveel moed en geestkracht dit ook getuigde, een blijvenden indruk kon maken. Onbeschroomd trad hij voor Achab, wien hij uit naam Gods mededeelde, dat zijn rijk ten gevolge van droogte door een zwaren hongersnood zou geteisterd wor-