regeeringsjaar een begin met den bouw van den tempel. Daartoe zond hem Chiram, de vriend zijns vaders, cederenen cypressen-hout benevens Phoenicische werklieden. De andere bouwstoffen had — zooals wij weten — David reeds verzameld. Na 7 jaar verrees het heiligdom op den heuvel Moria, een sierlijk en statig gebouw, een waardig verblijf voor de heilige arke. Van alle oorden des lands stroomde men naar Jeruzalem, om bij de plechtige inwijding tegenwoordig te zijn. Bij deze gelegenheid sprak de koning een indrukwekkend gebed uit, waarin hij de verheven beteekenis van den tempel uiteenzette en Gods zegen voor zijn volk afsmeekte. Dit maakte op allen een diepen indruk, zoodat men na het Loofhuttenfeest, dat juist op het feest der inwijding volgde, in ernstige stemming huiswaarts keerde. Thans was Jeruzalem in werkelijkheid het middelpunt van Jsraëls godsdienstig leven. Binnen zijne muren zou men voortaan driemaal jaarlijks te zamen komen, om de heilige feesten te vieren, zich voor God te verheugen en door den weldadigen invloed van den eeredienst in oprechtheid des harten voor Hem te wandelen.
Jeruzalem werd nog verfraaid door andere schoone gebouwen. Bijzonder beroemd was het koninklijk paleis, niet ver van den tempel verwijderd, waaraan 13 jaar gearbeid was. Aan den voet van den Libanon verrees een lustslot voor ’s konings land- en jachtvermaak. Ter bevordering van handel en nijverheid liet Salomo zelfs buiten Kenaan steden aanleggen, o. a. Tadmor (Palmyra) niet ver van den Eupkrat, dat het middelpunt voor den karavaanhandel op Indi'ë werd. De aanzienlijke uitgaven voor al deze bouwwerken vloeiden voort uit de belastingen en de opbrengsten der handelswaren, door Israëlietisch-Phoenicische koopvaardijvloten aangevoerd. *) Deze inkomsten stelden hem ook in staat, om er, naar de gewoonte der oostersche vorsten, eene weelderige hofhouding op na te houden. Hij onderhield een talrijken vrouwenstoet, waarvan de voornaamste eene Egyptische prinses was, richtte kostbare maaltijden aan, had eene groote equipage, kortom, hij leefde, zooals Samuel het voorspeld had. Om de maand moest een der
') Deze stevenden van de havenplaats Etsjon-Géber aan den Arabischen zeèboezem door den Indischen oceaan om AJrika heen en keerden door de Middcllandsche Zee naar eene der Phoenicische of Israëlietische havenplaatsen terug, rijk beladen met vele buitenlandsche producten, als: goud, zilver, elpenbeen, edelgesteente enz.