”7
kwaamheid, die hij zoowel door zijne uitspraak in moeie-lijke rechtsgedingen *i als in zijne geschriften •) getoond heeft, onderscheidde hij zich boven al zijne tijdgenooten. Door zijn wijs en verstandig bestuur bereikte Israël een te voren ongekenden trap van welvaart. Het paarde beschaving aan godsdienstzin, verheffing van den geest aan veredeling der ziel. Jammer slechts, dat de voortreffelijke vorst het pad der zuivere Godsvereering niet bleef bewandelen, maar tegen het einde van zijn leven geen weerstand meer kon bieden aan de verleiding van weelde en zingenot. Vorst en volk werden daardoor in een poel van ellende gestort.
Gedachtig aan zijn vaders uitersten wil, maakte hij reeds in het begin van zijn bestuur zijne vijanden onschadelijk, toen dezen weder de rust van den staat wilden verstoren. Adonia en Joab liet hij door zijn veldoverste Benujuhu dooden en Ebjathar, dien hij uit achting voor zijn vader wilde sparen, naar Amitoth verbannen. Sim'i mocht op straffe des doods Jeruzalem niet verlaten. Toen hij na drie jaar dit verbod overtrad, werd ook aan hem het doodvonnis voltrokken.
HOOFDSTUK LXXIII.
Israëls luister en bloei.Nadat Salomo door deze doortastende maatregelen de rust van den staat verzekerd had, maakte hij in zijn vierde
■) Daarvan heeft de geschiedenis voor ons het volgende bewijs bewaard. Twee vrouwen bewoonden, ieder met een jong kind, hetzelfde huis. Eene dezer had ’s nachts bij ongeluk haar kind gedood en nam heimelijk dat harer huisgenoote weg, aan wier boezem zij het doode kind legde. Toen deze ’s morgens het bedrog bemerkte, eischte zij haar kind terug. Daardoor ontstond een woordenstrijd, die eindelijk zoo hoog liep, dat de beide vrouwen de twistzaak voor Salomo brachten. ’sKonings besluit was onmiddelliik genomen. Hij beval namelijk een zijner hovelingen, het levende kind in tweeën te snijden, waarvan elk der beide vrouwen een deel zou ontvangen. De eene nam daarmede genoegen, maar de andere smeekte hem, het kind dan maar liever ongedeerd aan hare wreede huisgenoote af te staan. Daaruit begreep Salomo, dat de laatste de ware moeder was, wie hij dan ook het jonge wicht terstond toewees.
2) Behalve 3000 fabelen, waarvan vele ontleend waren aan het dieren- en plantenrijk, en 1050 liederen, worden hem ook de beide geschriften: de Prediker en het Hooglied, waarop wij later nog terugkomen, toegeschreven.