i*9
HOOFDSTUK LXVII.
Nathan voor David.David, wiens deugdzaam leven tot toonbeeld strekt voor alle latere geslachten, kon zich toch niet geheel boven de zwakheden van den stoffelijken mensch verheffen. Ook hij heeft zich in een onbewaakt oogenblik aan een vergrijp schuldig gemaakt, waarvoor hij zwaar moest boeten Tijdens het beleg van Rabba, de hoofdstad der Ammonieten, zag David eene vrouw, voor wie hij liefde opvatte. Hij vernam, dat het Bath-Siba was, de gemalin van Uria den Chitiet, die onder leiding van Joab deel nam aan het beleg van genoemde vesting. Op ’s konings bevel zond Joab hem naar Jeruzalem, om zijn vorst met den toestand van het leger bekend te maken. Bij zijn terugkeer gaf David hem een brief mede voor zijn veldheer, waarin hij hem gelastte, Uria in de voorste rijen der belegeraars te plaatsen, waar hij bij een uitval der vijanden des te eerder den dood zou vinden. Joab voldeed aan dit bevel en ’s konings wensch kwam uit. Uria sneuvelde, waarna David met diens weduwe in het huwelijk trad. Onverholen bracht de profeet Nathan den vorst deze zonde onder het oog. Om hem het gewicht daarvan te doen begrijpen, bediende hij zich van het volgende verhaal. »In eene stad leefden twee menschen, waarvan de eene een rijken veestapel bezat en de andere niets anders dan één jong schaapje, dat met zi jne kinderen opgroeide en door hem met teedere liefde behandeld werd. Het at van zijn brood, dronk uit zijn beker, sliep aan zijn boezem, in één woord, het was hem als een eigen dochter. Nu kwam er op zekeren dag een gast bij den rijken man, die, te gierig, om van zijn groot vermogen een stuk vee af te zonderen, het lammetje van den arme roofde en daarvan voor zijn gast een maaltijd bereidde.” »Bij God!” riep David vertoornd uit, »die dit gedaan heeft, is den dood schuldig en moet het geroofde viermaal vergoeden.’k «Welnu,” antwoordde Nathan, »gij zelf hebt u aap een dergelijk misdrijf schuldig gemaakt. Gij deedt Uria door het zwaard vallen, om di-ns eenige vrouw te kunnen huwen; het zwaard zal ook niet wijken uit uw huis.”
De vrome vorst was niet vertoornd op den boetprediker, maar riep in ootmoed uit: «ik heb tegen den Eeuwige gezondigd.” Kalm en gelaten verdroeg hij ook zijne ongelukken, vooral het eerste, toen hem namelijk het kind, dat Bath-Séba hem geschonken had, door den dood ontrukt werd. Wel werd dit verlies vergoed door de geboorte van