MASSA’S KERSTFEEST201
z’n hoofd enz. enz. altemaal bezigheden welke nadere gedetailleerde beschrijving kunnen ontberen en voor resultante hadden dat hij in minder dan een minuut onder de vochtige, kilklamme lakens niet lag — maar zat. En die ongewone houding op zulk een ongewoon laat uur — nog niet eens gesproken van z’n ongewone gelaatsexpressie; ’n snauwlip en zware voegen om den pletneus — veroorzaakte in de andere bedstee eenig gestommel en %t opsteken van John’s puntige neus.
„Blaas je de kaars niet uit, Massa?" — Massa was z’n artistieke bijnaam.
„Ja,” zei de neger, maar hij bewoog niet. Z'n zwarte kroeskop silhouetteerde tegen den witgekalk-ten bedsteemuur, z’n zwarte handen leien futloos op het laken.
„Heb je iets?” — vroeg John, verbaasd over dit vreemde doen.
„Née,” gromde Massa voor zich uitstarend:
„’k Heb niks — niks,”
„Blaas dan de kaars uit: ik heb maf” ...
De lippen van den neger bewogen als een purper tuitje naar de kaarsvlam — ontspanden weer plat en mal-droomerig bleef-ie in licht kijken.
John pruttelde onder het dek, werd ongerust.
„Nou!” zei hij kribbig.
Maar de neger zonder opzien, zonder de groote oogballen te bewegen en met de wimpers te knipperen, de zwarte handen gesteund op de bedstee-plank, begon grommend te spreken.
„ .., ’k Ben naar de kerk geweest” . ..
„Dat weet ’k” . ..
„ ... En nou zit me wat dwars — ?t is onbegrijpelijk — onbegrijpelijk” .. .
„Wat dan?” geeuwde John.
De peinzende negerkop boog dieper naar de kaars