202 MASSA’S KERSTFEEST.
— witte zilverhaartjes in het zwarte kroes opglansden aarzelend en langzaam pratend, elk woord overwegend, vroeg hij met bijna melankolieke stem:
„____ Johny — hoe zou jij denken dat God V
uitziet?”
Het hoofd van den blanken clown spichtte schrikachtig uit de dekens.
„Ga nou slapen ! Daar doe je beter an !”
De neger hield aan.
„ .... Zou jij meenen, Johny, dat God” — en een verlegen aarzeling kwam in z’n stem: — „maar nou zal jij natuurlijk lachen — dat wéét ik wel — zou jij denken dat God op mij lijkt ?....”
Massa had het voortreffelijk voorspeld — John brulde het plotseling uit, schoot zoo in de lach dat-ie hoestend moest gaan opzitten, 't Duurde ’n heele poos voor-ie tot bedaren kwam en nog nalachend schreeuwen kon:
„Wat ’n mop ! — Die mot je onthouen voor vanavond op de planken! — Die zal ’m doen!”....
De neger schudde den grimmigen kop, philoso-feerde voort.
„ Ja nou lachje — dat zag ’k wel aankomen —
maar nou vraag ik je nog is, wat ’k je ’t eerst vroeg: hoe denk jij dat God ’r uitziet?”
„Ach kies niet!”, lachte John: „da’s nogal natuurlijk — daar prakkizeert-ie over!... Ik heb God altijd afgebeeld gezien als ’n ouwe heer met 'n langen witten baard — da’s zoo klaar als ’n klontje” ...
„Als ’n blanke ?” — vroeg Massa weer, de onderlip zwaar vooruit, de oogen beweegloos.
„Wou je soms...!” — en opnieuw brulde John ’t uit. Massa had ’m bepaald om. Anders zou-ie zoo gek niet uit den hoek komen.
„Lach jij maar,” zei de neger in de kaarsvlam starend: „maar zoo min als jij God zwart kunt