190 DE TAFELSCHEL.
vermaakte om een zóó reusachtig gebit. — En twee dagen later, ouwe jongen, was ze dóód "
Hij zweeg. Ik liep naar het buffet, plaatste de schel in een donker hoekje.
Toen ik terugkwam zat hij nog net zoo.
„... Je zult zeggen” — sprak hij weer: „dat het gemeen was te hertrouwen — en ik weet niet
wat *k ’r op antwoorden moet. Maar als je gelukkig bent geweest, dan hou je ’t alleen niet meer
uit, dan ben je in de drukste gezelschappen rade-
loos-eenzaam, dan slaap je ’s nachts niet meer en ben bang voor het water. Ik ben hertrouwd, hou van Sophie — op m’n woord. Moeder heeft destijds het andere huis ontruimd en de beste familiestukken bewaard. En in ’n la heeft Sophie de schel gevonden, die nou kwestietjes maakt. Gister spotte ze, wou met geweld dat ik met haar samen de malle gezichten in den bol zou zien om me van mijn vooroordeel te genezen” ....
„Ik zou ’m bij ongeluk brèken,” zei ik.
Buiten, nam ik mij voor, bij m’n eerstvolgend bezoek den koperen satan te laten vallen.
Doch verder wandelend, scheen het mij toe dat er óók herinneringen moesten huizen in de familie-meubelen, in de gebeeldhouwde, mahoniehouten linnenkast, in het massieve buffet.
Alleen 'n brand zou alles kunnen vernietigen. Alles?
Maar hij sprak van de bloedkoralen oorknoppen, van haar lachend gezicht — van ...