DE TAFELSCHEL. 189
heeft niet zoo lang geleden — je weet ’t. ’t Sterven kwam onverwacht, voor mij èn voor jullie — misschien niet voor den dokter.
„Op ’n avond in December zat ik in de slaapkamer. De lamp brandde. Zij lag te luisteren naar wat ik voorlas. Het verhaal was ontroerend — zij begon te schreien — ik hield op en schertste. ’t Hielp niet. Ze leunde vermoeid achterover en na ’n poos werd ze melankoliek.
„O, beste jongen, niemand ontneemt me ’t geloof dat zieken den dood vóélen” ....
„Zou je denken dat ’k óóit beter word?” — vroeg ze.
„Ik antwoordde ’t eerste ’t beste dat me inviel, knorde, trachtte nóg eens haar op te vroolijken. En nu lukte het. De tafelschel — die jij daar vasthoudt — stond bij me op tafel. Terwijl ik gelezen had, had ik telkens mijn verwrongen gezicht in den koperen bol gezien en nu de tafel met de lamp dichter bij het bed trekkend, knikte ik haar in de schel toe.
„Onze hoofden rustten tegen elkaar, haar bleek gezicht tegen mijn rooien kop en als kinderen lachten we om het leelijk spiegelbeeld.
„De heele kamer zag je in de schel, de tafel met de kopjes, de lamp, de ramen, de gordijnen, de spiegelkast, de waschtafel, het bed. En bij het bed onze twee lachende hoofden.
„Ze droeg haar bloedkoralen oorknoppen, haar bloedkoralen ketting — zóó nauwkeurig kun je die dingen onthouden.
„Ze nam de schel over, hield haar dichtbij en vèr af, lachte uitgelaten om de verschillende gezichten die we kregen, om de krullende lippen, de platte neuzen, de puilende jukken. Het was een onnoozel spelletje, waarbij je allebei kinderachtig deed, waarbij je opzettelijk je tanden liet zien, je