FALKLAND INTERVIEWT DE POES UIT „HET ZEVENDE GEBOD.”
Toen Falkland in een zijner meest diepzinnige en wijsgeerige buien — op ’n regenachtigen achternamiddag, nadat hij een tukje had gedaan en alle buurtjes begeeuwd — het denkbeeld had gewikt en gewenteld, besloot hij in de eerste plaats er geen gras over te laten groeien, in de tweede publiciteit aan het geval te geven, ten derde de quaestie zonder romantische inleiding te behandelen.
Trouwens de introductie is met ’n paar woorden gezegd, hetgeen voor den eenvoud der zaak pleit. Elk tooneellief hebber, onverschillig of hij behoort tot tooneelverbonders, vrijbiljetten, critici-in-ruste, of tot het kunstminnend publiek, heeft ongetwijfeld bij zichzelf van tijd tot tijd — de opmerking gemaakt dat men beesten ziet optreden in het circus en menschen op de planken.
Wordt van dezen regel afgeweken dan is het meestal hetzij in het nadeel der eerste of in dat van de tweede. Een paard in het arena is bijvoorbeeld een behagelijker gezicht dan een heer in rok met kromme beenen, die de zweep houdt en er onaangenaam hard mede knalt.
Omgekeerd echter gedraagt zich een paard op