188 DE TAFELSCHEL.
. „Wat dan?”, vroeg ik met stijgende verwondering.
Hij duwde mij de schel in de hand, sprak haastig: „ ... Kijk eens bij het volle daglicht in den bol.”
„Met genoegen,” zei ik glimlachend.
Voor het geopend raam keek ik, zag het bekend effect — in mijn geval onbekend — van een gelaat als in een lachspiegel. Alles weerkaatste in het vloeiend kopergeglim — de groene boomtakken werden sierlijke keversprieten — de vensterkozijnen teere witte latjes maar mijn langneuzig gelaat had niets sierlijks, niets teers: de neus werd een vlee-zige knol, de snor een verwarde klit bruin katoen en m’n oogen zwollen op tot waterige malle plassen pupil en wit.
„’t Is niet flatteus,” lachte ik.
„Nee,” zei hij zóó strak-ernstig dat het mijn vroo-lijkheid prikkelde en ’k hem luidschaterend op z’n schouder sloeg: „Willem — je ben ’n grappenmaker ! ” ...
„De zaak is niet grappig — ga ’r even bij zitten,” verhaalde hij serieus, terwijl ik de schel in de handen hield en zelf al heel spoedig ernstiger werd dan hij: „de zaak is zoo wéinig grappig dat ’t me pijn doet ’r over te spreken — maar jij hebt haar óók gekend toen ze nog gezond was — m’n arme eerste vrouw” ....
Zonder de laatste woorden had ik reeds begrepen.
Willem vervolgde, de oogen gericht op een struik meibloesems in den tuin.
„ .... Ja, nou moet ’t ’r maar uit — je begrijpt dat ’k met Sophie over dergelijke kleinigheden van ’t verleden niet praten kan, niet praten mag, niet praten wil. En vooral niet in dit geval, nu ze achter de schel iets zóékt .... Begrijp je ? ’t Zou voor haar héél ellendig zijn — Laat ik ’t kort maken. Riek