DE TAFELSCHEL. 187
Het gesprek liep nog wel vijf minuten over de schel op het buffet, zoodat ik haar natuurlijk iets scherper bekeek. Maar ze had niets bijzonders — een eenvoudige glad-koperen, sterk glimmende bol met een knopje dat rondgedraaid moest worden voor het geluid.
Ook ditmaal zou ik zulk een weinig beduidend feit waarschijnlijk niet gememoreerd hebben, als ik Wim zelf — op ’n lateren dag — niet alleen thuis had getroffen en hij na wat spreken over ditjes en
datjes het kleine voorval opgerakeld had ...
„ ... ’n Onaangename kwestie tegenwoordig, ouwe jongen, met die schel...”, begon hij.
Ik verwonderd.
„Je was ’r ’n paar keer bij, niet?”
„Jawel — maar hoe kunnen jullie over ’n schèl kwestietjes maken ?”
„Zij wil Jm op tafel en ik niet” ...
„Dan geef je haar natuurlijk haar zin. Hoe kun
jij zoo verregaand dwaas doen ?”
„Ja — dwaas,” zei hij bijna treurig: „zeg liever ziekelijk. Ik doe alles om me er tegen te verzetten. Ik bedwing me ’n paar middagen en dan is ’t ’r weer. Zij zoekt ’r wat achter en ómdat zij ’r wat achter zoekt, durf ik ’t ding niet in de gracht smijten. Anders was ’k ’t al lang kwijt geweest.”
„Waarom ?” drong ik aan.
„Waarom!” viel hij driftig uit na een poos: „zie ?ns, ouwe kerel, ik zal je toonen”...
Hij stond op, ging naar het buffet, nam de sterk-glanzende koperen schel eenigszins bevreesd in de handen, wenkte mij naar het raam.
Toen aarzelde hij.
„Nee — verdraaid, ik kan ’t niet,” zei hij nerveus.