IK ZEND EEN BOUQUET. 173
onmiddellijk reageert op het onbewuste, in een toestand verkeert die aan den droom grenst en steeds woorden zal stamelen zonder zin, woorden die hij zich later nauwelijks herinnert.
Het jogje bracht mij onmiddellijk op de hoogte.
„De bloemist.. . van de bouquet van de Prinsengracht no ”
„O,” zei ik rustig: „Kom jij nog maar eens terug als je in de buurt moet zijn—”
„Ik kom nooit deze buurt uit — en meneer heeft gezegd*...
„ Ja-ja Je hoeft voor mij ook niet opzette lijk te komen. Ik heb geen haast. Zeg dat ik zelf aankom.”
Ik gaf het jogje een sigaar. Hij accepteerde die, groette beleefd, verwijderde zich. Hij rookte dus. Zie boven.
En de tijd spoedde heen. De wereld beweegt zich. De aarde draait. Op Uranus is de dichtheid 0.23. Stof herleeft, blijft in voortdurende evolutie. Er is geen duizendste seconde stilstand. Alles verandert, verandert, verandert—doch beertjes veranderen niet, beschrijvenhardnekkig ellipsen en kringen om ons wettig domicilie. Zoo was het tenminste in diè dagen van nog-niet-gezeten-burger-zijn.
Jogje keerde na een week terug.
„Wel?”
Weèr een dier zonderlinge door niets gerechtvaardigde vragen.
„Compliment van meneer en of...”
Meer zeide hij niet. Zijn hand met het ding deed de rest. En opnieuw verwonderde ik mij over de buitengewone beleefdheidsvormen dezes tijds, beleefdheidsvormen die aan het misdadige grenzen. Men zendt iemand geen complimenten, wiens schel men ongracieuselijk ten allen tijde (zelfs bij