174 IK ZEND EEN BOUQUET.
noodweer) berukt. Er zijn afzichtelijke contrasten genoeg in het leven dat men ze niet kunstmatig behoeft te fokken.
„Jogje,” zei ik, „doe vóóral de complimenten terug en zeg an je baas dat ik niet gewend ben zoo gewantrouwd te worden. En hier heb jij een dubbeltje.”
Het was mijn laatste.. Inderdaad is dat eenprac-tische methode. Loopjongens en bedienden zijn in Holland omkoopbaar. Voor een sigaar of een dubbeltje verraaien ze met de liefste bakkussen hun vleescheigen baas. Er zijn geen uitzonderingen. Met tactisch-aangewende fooitjes heb je altijd rust aan je deur. Het is een systeem, een nóoit-falend systeem, dat ik na de langdurige ondervinding (in die langgeleden dagen) met volle gerustheid kan aanbevelen.
Jogje leverde de proef op de som.
„Wanneer, mijneer,” vroeg hij: „wanneer wil u dat ik terugkom? .. ..”
„Over een maand of zoo,” zei ik.
Hij ging, bleef een> week onzichtbaar. Misschien lokte hem een nieuwe fooi. Ik heb loopers gekend die van het systeem misbruik maakten, die hun baas voor de mal hielden en den klant exploiteerden. Elk systeem heeft zijn nadeelen. Ook dit. Maar herrie krijg je in géén geval. Je buren beleven geen plezier aan je.
Ik gaf den pioen-jongeling, den ruiker-jog een frisch dubbeltje.
,,’k Zal maar an me patroon zegge dat u uit de stad ben,” zei hij intelligent-vrindelijk. Geenszins poogde ik hem het verkeerde, het eenigermate perverse zijner handelwijze duidelijk te maken.
Hij ging. Hij ging zoo nog vele malen. Zeker heb ik op die wijze ruim een gulden rente op den bruilofts-bouquet betaald, telkens te slordig of te