172 IK ZEND EEN BOUQUET
„’t Is zoo’n end, meneer”.
„Da’s héél gezond voor je, jogje” ....
Verbeeld je om de éérste maal dat je terug gezonden wordt met een quitantie al te praten over „het end”. Tactisch is dat een fout. Psychologisch een blunder. Want nog nimmer kan een dergelijke klacht het gemoed eens schuldenaars aangedaan hebben, laat staan bij de éérste aanbieding van zulk een paperas.
Jogje verdween. Natuurlijk. Het was een leelijk jogje. Ik weet wel dat zijn signalement weinig past in den logischen gang van dit verhaal, maar zóó heeft mijne herinnering het hoofdje van het jogje vereend met den bouquet (van vijf gulden) dat het mij nu nog moeite kost in de realiteit en buiten het legendarische te blijven, dat wil zeggen, dat ik herhaaldelijk (sedert) jogje’s hoofdje gezien heb, let wel gezien in een tuil van rozen, chrysantemums en pioenen, omwikkeld of liever saamgehouden door een blanke, kanten cornet, ’t Meest als pioen. Hij had een paarsrood hoofdje, bolwangig, een mopneus, zomersproeten en ooren als oesterschelpen. Hij róókte, ’t Bleek mij. Zie vervolg.
Na een week klonk opnieuw de eeuwige schel — nauwkeuriger gezegd: na een week klonk zij op-nieuw-geluid door ’sjogjes hand. Er werd mèer gescheld in die dagen van botjes-bakkerij.
„Wel?” ....
„Van de bloemist, meneer” ....
„Wat voor bloemist? Welke bloemist?”
Het schijnt dat wij in zekere omstandigheden alleronnoozelste dingen zeggen — op sufheid en stamelen af. Wanneer zullen dergelijke aandoeningen eens analytisch bewerkt worden ? Het moet curieus zijn door een eersteklas-psycholoog depsy-chologie-der-beertjes te hooren behandelen. Ik voor mij heb opgelet dat de mensch in deze situaties