IK ZEND EEN BOUQUET. 171
aangelegenheden. Woensdag trouwde Bernardus en ten zeerste passend vond ik het Dinsdagavond een bouquet te bestellen. Een bouquet van vijf gulden. Al word ik honderd jaar vergeet ik den prijs niet. Ik bestelde. De bestelling werd aangenomen. De bloemist vroeg geen geld. Ik bood geen geld. Het viel mij mee. Crediet is een pleizierig ding. Netjes schreef ik het adres van den man die morgen schoonvader zijn zou ... Prinsengracht no .... en verzocht den bouquet te 10 uur ’s morgens bij de bruid te bezorgen.
En den volgenden dag overtuigde ik mij persoonlijk op de staande receptie dat mijn bouquet er was. De
schoonvader van Prinsengracht no de bruid van
Prinsengracht no . . . . en mijn vriend bedankten mij om beurten voor de allerliefste attentie, die ik zélf bijzonder allerliefst vond. Mijn bouquet maakte geen slecht figuur. Mijn bouquet was lang niet de minste. Mijn bouquet mocht gezien worden. Zeker om goed te maken dat ik niet op het diner gevraagd was, inviteerde mij de schoonvader van Prinsengracht no.... om later eens en familie aan te komen. Ik deed dat. Gezellige menschen. Ik kan niet anders verklaren dan dat ik er aangename uurtjes doorbracht.
Doch.
Om niet altijd met „maar-en” een ongelukkig hoofdstuk te beginnen, zeg ik: doch.
Doch, deze relatie was gepredestineerd op schokkende en voor mij onteerende wijze te eindigen. Ik herhaal het is lang geleden. Eerst nu, in gezetener omstandigheden, ben ik er eenigszins over heen.
Twee weken na het diner-looze bruiloftsfeest werd ik opgeschrikt. De eeuwige, onbeschaamde schel.
Geduldig opende ik de deur.
„Asjeblief meneer” ....
„O, kom jij de volgende week maar eens terug.”