Lieve vriendin, vandaag mag ik het U wel vertéllen. Het gebeurde véle jaren geleden. De wazen der herinnering hebben de schande ervan verzacht. Het verleden wischt harde lijnen van smarten, gebeurtenissen, schanden.... Ja, vandaag kan het wel en de zachthandige oprakeling zal minstens mijzelven, zoo niet de verteedering dan toch de genoegdoening van eene eerlijke, opluchtende biecht verschaffen.
In de jaren der b o t j e s-b a k k e r ij — herinnert gij u mijn noodlottige avonturen ?— in de jaren van volksgaarkeuken en zure beertjes (getrouwelijk placht ik met u een en ander te overleggen)—in die jaren geschiedde het dat mijn vriend Bernardus de Bon (pseudo) na een engagement van zes maanden, zich in het huwelijk begaf. Ik geloof niet dat het „zich in het huwelijk begeven” eene juiste uitdrukking is voor de stadhuisplechtigheid in het algemeen en voor die van mijn vriend in het bijzonder. Mijn vriend was weduwnaar. Preciezer gezegd hèrgaf hij zich dus. Dit evenwel daargelaten — niet op dié details komt mijn s c h a n d e neer. Bernardus huwde. Hij huwde op een Woensdag en er werd een diner gegeven in het huis van zijn schoonouders, een diner waarop ik natuurlijk niét gevraagd werd. Ik bofte nooit in dergelijke