De kleine zaal dreunde. Bravo! Bravo! Met voeten stampten ze op den grond. Maar er waren anderen die angstig susten en het applaus overstemden.
Dodo glimlachte. Ze stond op het tooneel — groot als een alkoof — bewoog de volle bloote armen gracieus van de zijden naar omhoog, tot de kleine handen elkander raakten. Ze droeg een laag uitgesneden maillot van glanzige schubben, even om de witte schouders vastgehouden door zilverdraden. Boven het parelmoeren geschijn der schubben, waren haar schouders en armen in blanke frischheid en lachten de donkere, heldere oogen in een effen-belijnd, bleek, jong, mollig gezichtje. Het haar, bruin, lang, hing als een fluweelen sluier over het donzig vleesch. Ze droeg een tricot, eindigend in witte, hooggehakte schoentjes. Het vreemde, het angstige, dat het provinciaal publiek had doen juichen en sussen, dee haar rustig lachen. Om de zachte lijning der armen, om het dunne middel, om de beenen van rose, om den vollen hals kronkelden dikke, glibberige, groene slangen. Ze waren dik als een vuist, onaangenaam, slaperig — ze waren helgroen met scherpe, gele vlekken — ze waren leelijk en walglijk met haar siddrend bewegen der vinnige tongen. Om het geheel, jonge,