i62 BRAAMBESSEN.
„Die is nou zoo wat vol met onze bessen”, zei tante, glunder.
Ik keek over den rand, en toén, tóén — toen heb ik gelachen zoo als ik nog nooit heb gelachen, nooit meer lachen zal. Ik kon gewoonweg geen woord zeggen. Mies die er niets van begreep, keek ook in den emmer, hield me gezelschap. Wij schaterden beiden zonder ophouden, ’t Was te mal. De emmer lag vol... konijnenkeutels. Tante en neef hadden konijnenkeutels voor bessen aangezien, druk de versche balletjes — precies fijngemalen gras! — verzameld.
Toen we eindelijk vertellen konden, was tante woedend — op Tobias.
„Wat een geluk, neef,” zei ze : „dat /z/verstand van die dingen hebt! als ’t van hem had afgehangen, had ik er van avond gelei van gemaakt!”
Ze liet mijn concurrent dien heelen dag links liggen.