BRAAMBESSEN. 161
„Zullen wij ze allemaal opeten ?” zei ik woest. „?t Is toch al te mal om in die warmte te blijven zoeken! ”
„Nee,” raadde mijn vrouw: „geef haar ten minste die paar! Kom niet met leege handen aan.”
Rood van inspanning, blazend, liepen we terug, het dorp door naar het strand. Ze waren er nog niet.
Nijdig keek ik in eiken badstoel — geen tante — geen neef.
Wij namen stoelen, rustten uit van de vermoeienis, spraken minstens een kwartier lang kwaad van tante en neef, die zich zoo ongemanierd hadden afgezonderd en onzen dag bedorven.
Na een poos kwamen ze aanzetten. Zij ziek van vermoeidheid, hij blufferig als altijd.
„O, o, wat ben ik moe!” hijgde tante.
„Maar een aardige vangst!”, stofte Tobias; ,/n mand vol, boordevol!”
„We hebben ze bij je thuis in ’t water gezet,” zei tante, blazend: „ze waren zoo zanderig. En waar zijn de jóuwe neef?”
„Ik ben niet gelukkig geweest,” verontschuldigde ik mij; „’t seizoen begint pas.”
„Ach kom !”, sarde Tobias; „ik denk dat jullie je geen moeite hebt gegeven en ons alleen in die benauwde warmte hebt laten zwoegen!”
„Heb ik ’t je dan niet afgeraden?”, zei ik vinnig.
Door de wederzijdsche vermoeidheid zakte het gesprek. Tante deed een dutje — ik keek norsch naarde zee. Daar hadden Mies en ik ons moeilijk om gemaakt, wij die nooit in den middag bij zulk weer gingen wandelen.
Thuis stond de geëmailleerde groente-emmer op de aanrechtbank.
Schetsen Falkland. V. n