i6o BRAAMBESSEN.
en ik vielen als haviken aan op iedere bes die we zagen. Er waren er weinig, 't Spreekt van zelf, dat de kinderen van ?t dorp juist déze duinen ’t meest hadden afgezocht. We vonden niets dan onrijp goed, bessen, die groen of verrot waren. En beneden, naar de zeezij toe, zagen we tante en Tobias voortdurend bukken en bessen in de hangmand doen.
Transpireerend, doodmoe, gingen we een eind verder. De zon scheen zoo fel, dat zelfs de paar on-noozele geiten lusteloos aan heur touwen lagen. Het mos, de helmen, het gras, alles kraakte als dood onder de voeten.
„Ik kan niet meer,” klaagde Mies.
„Ik ook niet,” zeide ik hijgend.
We zaten naast elkaar met kokende hoofden en in de mand hoogstens ’n twintig fatsoenlijke bessen.
Tante en Tobias waren niet te zien.
„Voor mijn part,” zei ik heesch; „komt ze hier nooit weer — laat ze me geen cent na !”
„Je hebt gelijk,” zei mijn vrouw.
Maar na wat gerust te hebben — als je moe, warm of hongerig bent, moet je geen plannen maken ! — begonnen we opnieuw. Op een verre duin stond tante Caroline ons te wenken, wees op haar mand.
„Jawel,” zei ik grimmig: „wacht maar! Wie ’t laatst lacht, lacht ’t best! Wij zullen ze óók vinden.”
Bukkend, telkens geprikt door de dorens, gingen we dieper de duinen in. Soms vonden we prachtig-rijpe, donker-paarse bessen bij dozijnen tegelijk — soms was er niet één te zien. De warmte was onverdraaglijk geworden, had mij zóo moedloos, zoo zwaar-down gemaakt, dat ik wraakzuchtig de mooiste bessen zelf at. Het kookte onder mijn strandpet. Mijn boord lag om. Af en toe werd ik gestoken door een vlieg.