BRAAMBESSEN 159
Ik met een zeer aankomend buikje, liep te puffen, te hijgen, te zuchten, verwenschte tante met haar bessen en haar verrassingen. Er was niemand in het dorp te zien. De menschen bleven natuurlijk thuis of zaten in badstoelen aan het strand.
En in zulk weer, in de open duinen, braambessen plukken! ’t Was meer dan idioot, *t Was ’n zonnesteek verzoeken!
Bij de eerste de beste duin begon Tobias als ’n clown te klauteren. Tante hem achterna. Ik keek mijn vrouw aan, zij mij — we zwoegden naar boven.
Als stadsmenschen ?n enkelen dag naar een badplaats komen, doen ze zoo vrij en ongegeneerd, dat je er wee van wordt. Neef had zijn jas uitgetrokken, liep in hemdsmouwen, tante had haar bovenrok omgeslagen. En uitgelaten als jongens draafden ze — ja zoowaar, tante draafde! — de duin af, lachten ons uit. Een vrouw met zulke jeugdige beenen had een halve eeuw voor zich.
„Gaan jullie nou ook plukken!?”, schreeuwde Tobias: „dan vinden we mekaar strakjes an ’t strand.” Ijverig zag ik hem bukken, bessen werpen in tante’s mand.
„’n Plezier!” gromde ik: „hoe komt’t mensch op ’t zotte idee! Nu zul je nog zien dat zij strakkies ’n mand vol hebben, wij niks!®
Tante en neef waren een eind verder bezig. „Begin dan ook!”, knorde mijn vrouw: „als je er niet genoeg hebt, lijkt 't precies of je te nonchalant ben om haar ’n genoegen te doen.”
Mijn vrouw en ik zochten nu langs de hellingen van een dozijn duinen.
Het was een warmte om bij te bezwijken. De helm en braken onder de voeten ; wespen, vliegen gonsden om ons heen. En die aangename dorens! Elk oogenblik prikten ze door goed en alles heen. Mies