Ik ben een buffetjuffrouw, een buffetjuffrouw van de Lunchroom.
Vandaag gevoel ik mij méér dan gewoonlijk terneergeslagen, down, ongelukkig.
Toch heb ik van af mijne jeugd gelatenheid geleerd, eene gelatenheid zoo groot, dat ik mij bijkans in alle levenswederwaardigheden met gepaste berusting wist te schikken.
Thans dreigt mij eene bovenmenschelijke bezoeking, een verfijnde wanhoop, een marteling die wel is waar meerdere lunchroom-buffetjuffrouwen met mij deelen, doch die mij als nieuwelinge vinniger geeselt, striemt.
In het algemeen beklaag ik mijne lotgenooten in winkels, magazijnen, ateliers, kantoren.
Ze dragen elk een kruis.
De een moet den ganschen dag dames en juffrouwen poeslievig bedienen, waren aanprijzen, toetjes inpakken, adressen noteeren, ellemaat en schaar han-teeren, alles beleèfd voorkomend, beschaafd zonder één moment kwaad humeur.
De ander mag japonnen passen, stalen knippen, knoopjes aanzetten, trap op en af hollen, doozen openmaken, buigend de deur sluiten.