146 L UNCHR O OM-J XJFFR O UW.
De een heeft dit, de ander dat. Indien ge het mij niet euvel duidt, wilde ik verklaren dat wij, winkeljuffrouwen, een zuur en belabberd bestaantje hebben om onze moeders, broers, zusjes of ons zelven te onderhouden.
Maar dat hoeft jullie geen traan in je oog te persen. Vrindelijker gezegd: het raakt jullie maar half, want jullie zult er allerminst verbetering in brengen.
En au bout du compte zou ik als winkeljuffrouw nog m’n mond houden en bescheiden m’n weg vervolgen.
Evenwel ik ben méér dan winkeljuffrouw — ik ben méér dan buffetjuffrouw — ik ben een juffrouw uit de Lunchroom.
’t Laatste geeft mij een heilig recht te klagen, hardop te klagen, onbescheiden te klagen, steen en been te klagen, te klagen niét over mijn patroon, die een zeer humaan man is en ons zoowel van stoelen als ’s winters van een petroleum-kachel voorziet — als ik over mijn patroon iets te zeggen had zou ik zwijgend ontslag nemen en mijns weegs gaan! —, nee, goeie vrinden : ik klaag over, beklaag, be-weeklaag de infernale omstandigheden, de men-schelijke kakementen, de trek- en sluitspieren, mijn rampzaligen horizon van____
Ja: van ....
Den eersten morgen toen ik in betrekking trad, gevoelde ik mij plezierig en gezellig.
Er viel wat te kijken.
De Kalverstraat is een opgewekte, hupsche straat. Den ganschen dag zie je er dames en heeren, venters en koetsen.
Je zou er voor je genoegen achter een toonbank staan.
Daarenboven hebben wij den specialen kijk op