142 DE BEZETEN PIANO.
Niets.
Toen begon ik smakelijk te lachen.
„Natuurlijk is er wat op de piano gevallen,” zei ik opgelucht: „of wel, er zit ’n muis in de piano. Dat gebeurt meer” ....
„Nee,” hield Cateau allerhardnekkigst vol: „er is iemand in de kamer geweest.”
En omdat zij dat met zulk een nadruk en zoo venijnig-somber herhaalde, kroop ik met frissche rillingen in bed — ze kon gelijk hebben — je las zooveel van mysterieuse moorden.
Dien nacht sliep ik half — en den volgenden in het geheel niet. Driemaal hoorde ik een toets aanslaan .en driemaal sprong ik uit m’n bed, bekeek de piano, keek i n de piano. Niets.
Aan het ontbijt zagen wij beiden bleek, afgetobd. Jawel — ik zóu er een eind aan maken.
Bij den drogist van 't dorp kocht ik een doosje muizentarwe en strooide het in het instrument,
't Hielp niet — dien nacht werd vier maal een toets aangeslagen.
Ik strooide méér muizentarwe — tot v ij f maal bewoog de Des.
Toen nam ik een kater — ’n geweldenaar, rood en groot, sloot hem (mèt z’n bak) in de huiskamer op, maar de kater snurkte en herhaaldelijk bewoog een toets. O, vrienden, in de stilte des nachts, wen je met angstzweet te luisteren ligt, klinkt zoo’n E s of Ges als ’n snerpende dreun door je hersens,
vlieg je op, luister je als een gefolterde____
Jullie begrijpt, dat bij zóó weinig lichamelijke rust, bij zóóveel zenuw-overspanning de lust tot spelen er ganschelijk uitgaat. Noch mijn vrouw, nóch ik musiceerden meer. We waren bang voor de piano geworden. Welke geest huisde er in, welke ziel van