DE BEZETEN PIANO. 139
„David — hij luistert,” hield Cateau vol.
„Malligheid!” lachte ik.
Maar ’s avonds, toen de lichten op waren en we samen een „Sonate” van Grieg speelden — als jullie precies wilt weten deCMolFDur — verzuimde Cateau opeens me te accompagneeren.
David!” .....
„Wat dan?”......
„Daar komt-ie weer!”
Nóg eens vroeg ik „ wie ?” — wat ik de volgende dagen niet meer zou doen, omdat ik er tóén aan gewend raakte.
„De spin!”......
M’n strijkstok bleef verwonderd op m’n viool rusten. Was het verbeelding of was het werkelijkheid: de spin kroop naar beneê, hing onbeweeglijk aan *n extra-draad, zoo dicht mogelijk op de piano.
„Ónmogelijk,” zei ik eenigermate kregel.
„Nu — ik verwed ’r alles om,” hernam zij, koppig,
We eindigden de „Sonate” en zetten er een van Beethoven in. En zoowaar als ik hier zit, zoodra we pauseerden, kroop hij naar zijn donker hoekje bij ’t behang terug en zoodra we continueerden, zakte hij naar beneê, de pooten gespreid, het lichaam onbeweeglijk.
David dampte even.
„Ik zou er verder niet op gelet hebben,” vervolgde hij ernstig: „als Cateau niet om te bewijzen dat ’t diertje muzikaal was — verbeel je de dwaze inval! — op het denkbeeld was gekomen om de spin ongemoeid te laten. Stel je een zindelijke Hollandsche huisvrouw voor, die acht maal per week schoonmaakt en uit zuivere f a n c y ’n spin en ’n spinneweb boven de piano duldt.
En hoe langer het dier er bleef, hoe méér óók ik begon te gelooven dat ze gelijk had. Zoolang de piano