138 DE BEZETEN PIANO.
Hij dampte een poos zwijgend, keek ernstig.
„Drie jaar geleden woonde ik in een kleine plaats, in een ouderwetsch huis.
Beneden vóór was de huiskamer, waar onze piano stond — beneden achter sliepen we. Mijn vrouw en ik houden dol van muziek, dat weten jullie.
We speelden öf quatre-mains öf zij begeleidde mijn viool. En zoo kroop de lange, vervelende winter heen — op ’n kleine plaats is ’n winter niet alles, vooral wanneer je niet gesteld bent op dorpsnota-beien.
Op een dag, terwijl ik speel, zie ik tot mijn verbazing hoe een groote spin in den hoek achter de piano een prachtnet gemaakt heeft.
„Cateau,” roep ik: „kijk eens wat een kanjer?"
Cateau komt aanloopen, verwondert zich eveneens over zulk een exemplaar.
„Vreemd,” zegt ze: „gister heb ik pas laten ragen, ’k Zal ’m morgen helpen verhuizen.”
Je moet weten dat Cateau voor geen geld *n spin zou gedóód hebben. Als ze er een zag nam ze ’m voorzichtig in de hand en droeg ’m naar buiten.
Ik speelde voort. Cateau luisterde.
Op eens roept ze verwonderd:
...... David — zou je niet zeggen dat-ie luistert ?”
„Wie?” vroeg ik.
„De spin! Nee, doorspelen — anders kun
je ’t niet zien”......
Ik vervolgde mijn „Nocturne”, keek glimlachend naar het web. Cateau verbeeldde het zich natuurlijk. Een muzikale spin was een onmogelijkheid. Het dier rustte op de uiterste einden van z’n net, vlak bij de piano, keek of keek niet — dat kun je niet met zekerheid zeggen —, maar zat in ieder geval volkomen onbewegelijk.