Wij zaten gezellig en huiselijk bijeen, toen plotsling een der vrouwen van haar stoel sprong en ons allen door haar gegil ontstelde. Een vrij groote spin kroop over den grond.
M’n vriend Toon schoot toe, vertrapte het diertje, en, ’t spreekt vanzelf, in minder dan geen tijd praatte het gezelschap over de zonderlinge vrees die velen voor spinnen hebben.
Cor verhaalde van een vriendin die in’twater gesprongen was toen iemand haar voor de aardigheid een spin in ’t gelaat wierp, en Toon beweerde pléch-tig dat z’n grootvader na den slag van Waterloo dóód was gebleven bij ’t zien van een reuzenspin in z’n tent.
„Ik houd van spinnen,” zei ik oprecht: „’t lijkt me een onmogelijkheid iets wiederlichsin zulke intelligente dieren te vinden.”
„Nou maar,” begon David: „ik zou je staaltjes
kunnen vertellen ”
„Vertel op!” riep er een.
„De vrouwen zullen er vannacht niet van kunnen
slapen*......
„Vertellen! Vertellen!”......
„Goed,” zei David — „maar ’k waarschuw je, ’t wordt een lang kippevel-gevend verhaal.”