DE ONBEKENDE. 133
Een arm, verkromd onder het lichaam, hoekte op uit het grijs-gele zand, de doodenhand juist even zichtbaar.
De andere slap langs het lijf, was verward in een slibbing van zeewier.
Het haar plakte om de slapen, het blauwe boezeroen hing open.
Hein had den drenkeling op zijn schulpenkar geladen. Het ging niet gemakkelijk. De storm had de beenen diep in den zandgrond vast gewroet. Het scheen wel alsof die het lijk niet wilde loslaten, zóo zoog hij het lichaam terug. Maar Hein, een sterk, onverschillige rakker, won het, rukte de beenen los, smeet den drenkeling in zijn kar.
Op de plaats waar het lijk gelegen had, bleef een vertrapte kuil met wat modderig zand. De diepe wagensporen er naast.
Op een draf ging het naar het dorp. Het paard was gewend aan dien hard-natten grond.
Het lijk schokte, bobberde in de schulpenkar naast het schulpennet en de schop. Ook lagen daar Hein’s hooge, waterdichte laarzen, die hij aantrok als hij te schulpen visschen begon.
Halfwege ontmoette hij Hein Lood, den schoenmaker van ’t dorp die na eiken vloed het strand afzocht en brandhout hakte van het gevonden spul.
„Wat hei jij nou?” vroeg Lood, verwonderd kijkend naar een voet in paarse gestopte kous, die boven den bak uitstak.
,/n Dooie kerel,” zei Hein gewichtig, tabakspetsel spuwend tot bij Lood’s voeten.
„Nou, la-m’ is keike,” zei Lood nieuwsgierig.
Het was in geen afzienbare jaren gebeurd dat op die kust een lijk was aangespoeld.
Vlug wipte de schoenmaker op het wagenrad,