134 DE ONBEKENDE.
keek over den rand van den bak en zijn groote angst en verwondering uitten zich eerst in langdurig wijs hoofdschudden. Toen zei hij, Hein aankijkend: „Nou wat zei jij daar mee doen?”
Van het wagenrad klom hij op den bok naast den schulpenvisscher en het paard hervatte zijn lompig geschokkel, voortdreunend den hobbel wagen over het natte zand.
Zij spraken met elkaar, af en toe omziend naar het lijk, dat schokkend bewoog.
De voet die over den rand stak wipte op en neer en een hand sprong soms op van onder de dwarsspint. Zoo reden zij het dorp in.
De school ging juist aan. Over den nauwen weg liepen de kinderen, keken nieuwsgierig de kar na met dien vreemd-ophuppenden voet.
Een paar jongens draafden mee, toen een paar meisjes, toen een hééle bende van klompjesdragende kinderen.
En omdat er nooit in het dorp hard geloopen werd en nu zoo opeens al die klompjes over den steenweg klopperden, kwamen er boeren en vrouwen aan de deuren en Lood, die het gevoel had dat hèm iets bijzonders gebeurde en verheugd was dat hij op den bok zat, schreeuwde hen toe:
„ ,... ’n Dooie keèèèrel! *n Dooie keèèèrel!”
Dat gaf nieuwsgierigheid overal. Ze lieten hun werk in den steek, liepen vlug de schulpenkar achterna, die bij het kerkhofhekje staan bleef.
Hein sprong van den bok en Lood, druk van doen, sprong er aan den anderen kant af, liep hijgend alsof er een geweldige spoed bij was, naar den koster en van den koster naar den veldwachter.
Om de kar stonden de schoolkinderen, de groote menschen, pratend, kijkend naar den voet
Een boerenjongen, brutaler, was op het wagenrad