Hein Bierman had hem ’s morgens acht uur gevonden toen hij met zijn schulpenkar naar den eersten paal reed.
Het had dien nacht vrij stevig gestormd. De slibberige streep van aangespoeld zeevuil kromde tot dicht bij den duinrand.
Hij lag halfwege onder het zand, de beenen er in vastgezogen, het bovenlijf schuin er op.
Het strand was vlakgezeefd, éen wijde vlakte van grijsgeel.
De liggende romp geleek te groeien uit die oneindige zandstrook.
Het water zachtkens sloeg tegen de kust. Zeewier deinde aan en af en wat vlugge strandloopertjes tipten de waterglooiing langs.
De zee, ganschelijk glad, bijkans onbewogen, had een staalblauwen effenen glans tot lichtgroen vervloeiend bij den horizon. Er was geen zon. De zandvlakte, gelijk en zeer eenzaam kromde om naar de zwarte spits van den verren vuurtoren.
En behalve wat aangespoeld drijfhout, hoepels en ouwe manden was er niets anders op het strand dan die schuin-liggende romp, die onbeweeglijke romp met het starre paarsverwrongen gelaat.