OORLOG. 12 9
voeteneind en beet naar vreemden. Zoo’n verstandig dier was ’t! Ze praatte met hem, klaagde hem haar nood. Als de buren boven weer wat uitgehaald hadden, zei ze hardop: „Hoor-ie Bop, wat ’t tuig weer ’n leven maakt! Hoor-ie Bop?”
De oude kater met zijn groote groene oogen keek haar dan aan, alsof-ie begreep.
Het geweld werd intusschen heviger, venijniger, brutaler. Toen, op een morgen, weduwe Sloet boven haar wasch kwam afnemen, was het hemd van haar commensaal vol inktvlekken. Zij, woedend, wraakzuchtig, liet bij ongeluk haar emmer water omvallen en daar had je ’t! Van af dien ochtend leken de menschen boven wel bezeten, ’s Morgens zes uur begon het lawaai. Ze hadden de kleeden opgenomen, liepen den heelen dag boven het hoofd van weduwe Sloet te klotsen, nee maar, ook geen minuut stilte. Als de moeder niet liep, liep de dochter, als de dochter niet liep, liep de commensaal of de neef.
Je werd er geregeld krankzinnig van. En als ’t dan even stil in ’t huis was en je rustig in je stoel zat, lieten ze op eens een zwaar voorwerp vallen, dat het plafond dreunde en de kalk afviel. O,’t was zulk ordinair tuig! En lachen als ze dan deeën! Lachen ! Weduwe Sloet, getergd, liep naar den huisbaas. Die kon er niets aan doen. De buren moesten ’t maar met elkaar zien te vinden. En die lui van boven waren hééle fatsoenlijke mense, mense die op tijd betaalden en waar niks op an was te merken. O, o, klaagde juffrouw Sloet, de trap opgaand. En ’n nieuwe schrik! De commensaal, die ze een dag of veertien had, had z’n boeltje gepakt, wTas ’r vandoor gegaan. Wat-ie schuldig was had-ie netjes uitgeteld, met ’n brief-ie V bij, dat-ie ’t met zoo’n
spektakel boven z’n hoofd niet uit kon houen. Nou,
dat was nog al fatsoenlijk van ’m. Eens had ze ’n
Schetsen Falkland. V. o