128 OORLOG.
slijkvoeten over de trappen, vergaten hun voeten aan de mat te vegen. De mannen spuwden op het portaaltje en telkens was De Echo gestolen terwijl de couran-tenombrenger er een e e d op dee dat-ie ’m op de trap gelegd had. Dat was alles het héél zachte begin. Het werd erger. Ze hadden een zoldertje in gemeenschappelijk gebruik en zoolang de weduwe Sloet daar gewoond had, had ze haar wasch aan de latten te drogen gehangen. Maar nou met de vijandschap klopten de weduwe Bikkel en haar dochter naast de natte wasch matten en vloerkleeden uit. En dan zag* je goed zwart als je het afnam en brak je hart in je lichaam. O, 't waren zulke beesten! En 's morgens als je opstond lagen de natte pruimen van die kerels op je portaal en laatst hadden ze ’n vuilnisblik bij ongeluk laten vallen, dat je vies was de trap af te gaan.
Weduwe Sloet was geen habaai. Elk andere vrouw van twee- of driehoog zou d’r haarspelden getrokken hebben. Weduwe Sloet, angstig van aard, bang voor burengerucht, liet ze maar doen. Ze was met de loopende maand bij de veertig gulden schuldig aan den huisbaas en dus kon je niet verhuizen. Want als je om ’n nieuwe woning kwam vroegen ze je overal om je laatste huisbrief-ie en dan wer je nog gezet in ’n krantje dat al de huisbazen lazen. Mét schuld kom je nergens terecht. Ze zouen boven van zelf d’r bekomst wel krijgen.
Den heelen dag zat ze in haar keukentje met haar poes. ’t Was een oude zwarte kater, dien ze al meer dan tien jaar had. En dat beest was zóó lief, zóó verstandig. Die at met haar van een bord en riep Wrou! Wrou! Wrou! als hij haar niet zag. Weduwe Sloet was dol met haar poes. Ze had geen familie, geen vrienden, ze had alleen en niémand anders dan haar poes. Hij sliep bij haar in de bedstee aan het