130 OORLOG.
commensaal gehad die V zonder betalen tusschen uit was geknepen.
Er volgde een week van verwoeden oorlog. Weduwe Bikkel en haar bentgenooten maakten ijverig van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat zulk een bar geweld, zulk een satansch leven, dat juffrouw Sloet ’t vóór noch achter kon uithouden. Zestampten, renden, stompten, lieten stoelen omvallen en een paar maal had de Amerikaansche neef een klapper op den zolder afgeschoten, wat een slag gaf alsof ’t dak instortte.
Weduwe Sloet, opgehitst, tergde op stiller wijze. Van de vroegere vriendschappelijke verhouding herinnerde ze zich dat als zij de waterleiding opendraaide, boven geen druppel water uit de kraan liep. Bekende specialiteit van de Amsterdamsche Waterleiding. En zoo pleegde zij het passief verzet den heelen dag de waterleiding te laten loopen. Nou dat was me pleizierig! Dan hoorde je ze telkens boven naar de kraan loopen en vloeken. En als ’t dan wasch-dag was zat je te krimpen van pret, dat ze boven niet wasschen konden.
„Bop,” zei ze dan verheugd de handen wrijvend:
„Bobbie, nou hebbe wij is lol voor önzecente "
En dan aaide zij den ouden, verständigen kater.
Maar op een avond namen ze boven weer wraak.
Weduwe Sloet was naar 'n kennis gegaan, had zorgvuldig alle deuren gesloten, de keuken, de kamers, zelfs de deur van no. 100. Zenuwachtig als ze was — als je op je eigen portaal liep — scholden ze boven, had ze poes buiten gesloten en nog was de deur niet dichtgevallen of Bop begon op de gang te roepen Wrou! Wrou! Wrou! Weduwe Bikkel hoorde hem roepen, kwam met een kandelaar half-wege de trap, deed èrg lief „Poespoespoes! Poespoespoes!” De kater kroop schuw in een hoek. Om