OORLOG. 12 7
Tweehoog, vlak onder juffrouw Bikkel woonde de weduwe Sloet. De weduwe Sloet hield er óók een commensaal op na.
Zeer eenvoudig exposé.
De weduwe Bikkel en de weduwe Sloet waren geruim en tijd vriendinnen geweest. Dat wil alweer zeggen (want het gebruik zulker woorden is hier eenigermate onvoorzichtig) dat de weduwe Sloet de deur opentrok als de weduwe Bikkel uit was, dat zij dagelijks een praatje maakten op de trap en elkaar soms een ei of een pan geleend hadden. Een dergelijke verstandhouding tusschen lieden van één-, twee-, driehoog is ongetwijfeld voortreffelijk, eindigt echter — dat kan wel als regel gezegd worden — met „verkoeling”, daarna met „negee-ring” en ten slotte helaas met o p e n 1 ij k e vijandschap.
De weduwe Sloet raakte haar commensaal, voor wien ze twee jaar met liefde gekookt had, kwijt en zooals dat gaat, werd achterstallig eerst met één maand, toen met twéé maanden.
De weduwe Bikkel daarentegen kreeg een neef uit Amerika over. De neef vree met de dochter en die zouden gaan trouwen. Toen kreeg de weduwe Bikkel den inval om de verdieping van twééhoog er bij te huren. Dan kon ze vlak boven haar dochter blijven wonen en er een tweeden commensaal bij nemen. Van den huisbaas had ze gehoord dat de vroegere vriendin twee maanden huur schuldig gebleven was. Dat zat glad. Maar nee. ’t Zat niét glad. Juffrouw Sloet kreeg een nieuwen commensaal, betaalde een halve maand.
Toen begon de oorlog.
De weduwe Bikkel, hare dochter, haar neef en haar commensaal wouen de weduwe Sloet van haar woning hebben, maar de weduwe Sloet vertikte het. Als de benedenbuur pas gedweild had, liepen ze met