Eenige malen reeds, mijne vrienden, heb ik u verhaald van één-, twee-, driehoog en wat daar zoo voorviel. Levendig begrijp ik, dat die gebeurtenissen «enige gelijkenis hebben, dat op den langen duur de schakeling van kamertjesvoorvallen zekere „monotonie” vertoont. Hoe wou het anders, mijn lieve vrienden ? Deze stad is er eene van klein, zuur, in den grond zéér tragisch doen. En onder de vele chagrijnigheden, die wij er aantreffen, is het leven van één-, twee-, driehoog zeker niet het minst deerniswaardig. Eén-, twee-, driehoog, dat wil zeggen de samenhokking van vele gezinnen langs één trap, onder één dak, de kleine vijandschappen van buren, het zeurige, sleepende bestaan, altijd in grijzigen mist zonder lichtenden einder.
Maar dit had ik ook wel ón ge zeg d kunn en laten. W ant half-zeggen is slécht zeggen en zonder U ook maar éénigszins te degradeeren geloof ik dat het béter is met U een weinig te kóuten. Want wat hebben jullie nou an andere dingen dan aan Zaterdag-avondvermaak ? Dus ter zake.
Driehoog woonde de weduwe Bikkel, de zéér eerzame weduwe van een kantoorlooper. De weduwe Bikkel had een dochter en een commensaal.