118 HUWELIJKSREIS.
ik en ijverig ruimend mengde ik de twee potten. Kom nooit aan dingen van de keuken, Falkland, allerminst op je huwelijksreis. Ik had fijne soda en zout samen gevoegd. En zoo zaten we zonder zout. We aten dien middag kreeft uit de blik, sperzieboontjes en oudbakken brood. Aardappelen en rijst waren niet te koken. Daar hoort zout in, naar ik toen vernam. ’s Avonds wilde ik op brood, zout en een half ons komeinen kaas uit, maar George, de ellendeling, bleef van zeven tot elf uur voor zijn open raam zitten werken, telkens kijkend naar onze ramen en onze deur. Wat is George verduiveld leelijk als je ’m zoo ziet zitten ! Truus vindt ’m ’n monsterachtig individu. Stel je den achtsten huwelijksdag voor zonder zout, zonder brood, zónder petroleum. Enden geheelen dag George aan ’t studeeren voor zijn raam, alsof hij nu in ééns haast had zijn luieren van vroeger goed te maken. We ontbeten met beschuit en lunchtong, we gebruikten voor ons tweede ontbijt beschuit en lunchtong, voor ons diner lunchtong en rijst zonder zout. Niet pleizierig. Liefde verzoet geen zout. Tot halftien waren we verplicht in het donker te blijven zitten en eerst toen rees George op — we konden elk van zijn bewegingen zien achter onze tulle gordijnen —, kleedde hij zich aan, ging de deur uit. Geen twee minuten later, sloop ik de trap af met de petroleumkan in de ééne en de boodschappenmand in de andere hand. Truus had me ?n heel lijstje kruidenierswaren opgegeven : tien kan olie, drie pond zout, een pond fijne soda, twee pond groene zeep, twee cent kaneel, een half ons gesneden Leidsche kaas, weet ik wat al meer — en een pakje haarspelden. Die van Truus had ik allemaal gebruikt om platen op te hangen. Nou liep ze met d’r hangende haar en liefde verzoet evenmin haren in je eten.