HUWELIJKSREIS. 117
ik langs de huizen naar een kruidenierswinkel, kocht drie pakjes om gedekt te zijn —• en weer naar Brussel terug!
In de voorkamer lieten we eerst de overgordijnen neer, stak ik het licht op, toen, uit overmaat van voorzichtigheid, ging ik voorzichtig aan de overzijde kijken of er nergens licht te zien was. Het was te zien. De gordijnen lieten licht door. Ik vloog de trappen op, hing een deken tegen elk raam, inspecteerde opnieuw — en goddank, het was nu zwart als de nacht! We brachten een gezellig, huiselijk avondje door — tot er om half twaalf gescheld werd. Onze harten stonden stil. Terwijl we voor niets anders oogen hadden dan voor èlkanders oogen, was een deken afgegleden. Ik hoorde het bekende fluiten van George. Hoe enorm onbescheiden! Vlug draaide ik de lamp af, speldde de dekens steviger, liet hem twee, driemaal bellen. Wij waren en bléven te Brussel. Den volgenden dag zouden we naar Parijs gaan en de reisroute veranderden we onder geen omstandigheden.
Overdag waren we geheel gerust. Voor de ramen hingen tulle gordijnen, waar achter je je zoo druk bewegen kon als je maar wilde. Maar ’s avonds was het misère ouverte met de dekens en de licht doorlatende kieren. E11 wat er telkens noodig bleek! ’t Is lang niet gemakkelijk om veertien dagen opgesloten te blijven. Tegen schemer moest ik dan eens dit, dan weer dat halen. De petroleum raakte op. Ik haalde petroleum. De kaas werd oud. Ik haalde kaas. En dat alles op de meest sluwe wijze om niet gezien te worden door de overburen en vooral door George. De zevende dag was de dag van de openlijkste ellende. Ik wilde dien dag mijne vrouw in het huishouden helpen, zag een pot met zout en nog een pot met zout staan. Zout hoort bij zout, meende