Ongerust begaf zij zich naar het leghok, zag de goudkop ingedut zitten.
‘Kischt! Kischt! Eten gaan!’ kommandeerde juffrouw Suzan.
De kip trachtte angstig te kakelen - haar oogen waren zóó gezwollen dat juffrouw Suzan er van schrikte en angstig het huis inliep.
‘Ach jemineetje!’ riep ze al in de gang, ‘de goudkop is zoo ziek...’ Juffrouw Margriet - de geléérde zuster; Suzan had altijd ’t huishouden waargenomen - tukte in den leunstoel bij ’t raam, in slaap gevallen achter een hoofdartikel van d’r krant.
‘Wat zeg je?’ schrikte ze wakker.
‘De snoes met de gouwe kop is ’r zoo naar an toe/ lei Suzan uit, de oogen viezig verrimpeld bij de gedachten aan wat ze gezien had; ‘ach jemineetje, ze is zoo verkouwen en d’r lieve oogjes zitten heelemaal dicht...’
‘Tjeetje, tjeetje/ zei juffrouw Margriet meewarig en samen gingen ze nu naar het leghok, de rokken hoog opgenomen, de pan-toffelvoetjes sloffend over het grint van den tuin.
‘Scheelt ’r wat an, lief-ie?’ vroeg juffrouw Margriet goedig.
De kip poogde opnieuw te kakelen, maar het snot had haar zoo geweldig aangegrepen dat ze nauwelijks met een dofschorren kreun kon antwoorden. De oogleden waren sterk opgezet, bijna builen zoo dik, bedekten ganschelijk de oogen. Een oogenblik keken de twee ouwe juffrouwen angstig en vies.
‘Schaap/ klaagde juffrouw Suzan.
‘Tjeetje, tjeetje/ zei juffrouw Margriet.
‘Wat zou ’m schelen?’
‘De kippenziekte/ verklaarde juffrouw Margriet, tè beschaafd om den geméénen naam te gebruiken.
‘Zouen we d’r oogjes niet uitwasschen?’ vroeg Suzan; ‘d’r staat boven nog wat boorwater van een van de meisjes...’
‘Dat kan nooit kwaad,’ meende de geleerde ouwe juffrouw.
Toen poogde Suzan de kip te grijpen. Maar ’t angstige dier, dat nog ’n tikje scheen te zien, vloog van den stok, vluchtte de ren in. ‘O jij deugniet,’ zei de ouwe juffrouw, ‘mag je de vrouw zoo foppen?’ Slim liet zij de schuif neer, opende het deurtje van de ren, kroop er zelf in en voorzichtig tastend vatte zij de kip bij de vleugels.
‘Jij stoutert - jij stoutert,’ hijgde ze, ‘om weg te loopen as we ’t zoo góéd met je meenen ...’
92