‘Wel, wel/ glimlachte de arts; ‘en waar is de patiënt?’
Stans haalde de kooi, beefde lichtelijk.
De arts keek even verbaasd.
‘Mevrouw!’ zei hij ernstig, ‘ik vermoed dat uw vogel nooit zingen zal. Dit is een kuiken.. /
‘Een kuiken!’ schreeuwde Hein.
‘Een kuiken!’ herhaalde Stans, die begon te weenen. ‘O! o...! mijn lieve Piet een kuiken!’
‘Dus wordt-ie later ’n kip?’ vroeg Hein terneergeslagen. ‘Vermoedelijk/ glimlachte dokter.
VAN DE TWEE OUWE JUFFROUWEN EN DE KIP
Toen ze haar kostschool hadden opgedoekt, bleven de twee ouwe juffrouwen alleen op de wereld met een kippenren en een dagmeisje.
Heur leven leefden ze zonder stoornissen, ijselijkheden of gebeurtenissen.
Doch op ’n dag - en van dien dag wilde ik u verhalen - geraakte het heele huishouden ondersteboven.
De goudkop werd ziek - en zonder zwaarwichtig gepeins zult ge begrijpen dat, wanneer ik zoo kort en bondig van de goudkop spreek, hiermede nóch de juffrouw Margriet, noch juffrouw Suzan, noch Ali ’t dienstmeisje - maar een uit de kippenren bedoeld wordt.
De goudkop was een lief dier geweest, een kip met groot plichtsgevoel, die drie jaar trouw gelegd had - tot diep in den winter - en zelfs het vierde jaar met een anderdaagsch ei ingezet had. Maar uitermate plotseling kreeg ze het te pakken. Ze bleef op stok, niet luisterend naar het geroep van den ouden haan, als de ouwe juffrouwen gerst, mais, hennep, groene erwten en rijst in de ren wierpen.
Juffrouw Suzan, die kippig was - ik zeg dit niet ter wille van ’n smakelooze aardigheid maar van de waarheid: zij droeg een bril -miste de goudkop eerst na ’n paar dagen. Bij acht ouwe kippen en een ouwen haan ver-tel je je licht.
91