schappelijke dingen begint hij bij ’t paard te fluiten. ‘Dat zal ’m hinderen/ zegt hij.
‘Onzin/ roep ik, warm en nijdig. ‘Allee! Vooruit! Allee!’
Weer komt een boer voorbij.
‘Dat paard is maar magertjes! Wil je ’n mes hebben?’ grinnikte hij. ‘Stik!’ roep ik en Lou roept wat anders.
°t Beest is op,’ zegt Lou eindelijk.
‘Da’s wat moois! Nog een uur rijden! Allee! Hoep! Allee!’
Lou neemt Sorrie bij het gebit en blijft er naast loopen. Dit helpt ten minste iets. Stapvoets trekt ’t paard den panier voort.
Maar zoodra laat Lou hem niet los, of hij blijft kalmpjes kijken, ongevoelig voor lieve woordjes, streelen, slaag. Hij wil niet meer, hij kan niet meer.
’t Is over halfzes. Het eten staat thuis koud te worden en er is geen sterveling op den weg te zien.
Lou trekt Sorrie voort, ik met de zweep over mijn schouder duw de panier van achter. Want we zijn op de eerste glooiing van den weg en Lou kan Sorrie niet alleen naar boven hijschen. De zon brandt vriendelijk op ons neer, op Lou, op Sorrie en mij.
Het is niet bepaald aangenaam een wagen en een paard voort te duwen over een kokendheeten weg. Als ik een paar maal het paard met de zweep aanzet, schreeuwt Lou dat ik hem raak en Sorrie neemt er geen notitie van.
Zoo komen we om half zeven in het dorp, Lou het paard voortrekkend, dat op z’n pooten waggelt, ik, achteraan duwend.
Bij den stal kijkt Sorrie ons met z’n bloederige oogen vreemd aan. Wij zijn de eerste passagiers die hem getrokken hebben.
KIND
‘Hoe heet je?’
e c
,:Nou-ou?’
. .Mientje...’
‘Zóó. Heet jij Mientje? Nou, da’s knap van je. En hoe oud ben je?’ 72