was verkeerd en als je logisch dacht, kon niemand protesteren tegen ’t vrije veld, de onbeboetbare Ruimte van ooievaar, leeuwrik, mus en spreeuw. De struisvogel, vastgebakken aan de aarde, was ’n mis-punterig dier...
fans werd op reis gezonden, Chris moest verkameren. Nu de vliegmachines voor mevrouw en Amélie, per nieuwe dépêche besteld, óók waren aangekomen en geprobeerd, diende ’t dak óveral vrij te zijn. Langs en over de pannen te scharrelen met meidenkamers vlak bij, daar dankte je voor. En vooral die stomme Chris moest ’r buiten blijven, ’n Braaf mens, ’n uitstekende meid, maar z’n gans, zo’n échte ezelskop - die plapperde ’r alles uit an de dienstboden van de Spaarns en de Leurings. Die éérste avond op ’t dak was ’n feest, ’n ontspanning, als ze nog nooit hadden gehad. Mevrouw en Amélie, beiden met verknipte ouwe broeken van meneer aan - dames-vlieg-toestellen waren er niet, zouden er waarschijnlijk nooit komen, omdat rokken te veel tegenstand boden en onvoegzaam werden - mevrouw en Amélie, door ’t dolle heen nu ze een paar keer de zolder beklapwiekt hadden, hunkeroogden meneer na, die al een kwartier om ’t dak was gevlogen.
Tweemaal aan de achterzij van ’t huis, waar de buren licht-loos waren, had-ie zich snel laten dalen, drijvend op de parachute. Dan weer opwaarts peddelend, proestend van plezier, herstapte hij in de goot naar het dakraam, buiten adem z’n sensaties vertellend: ‘Kinderen - ’t is over ’t goddelijke heen. Kinderen, daar haalt niks bij!’ Extatisch hield-ie zich in evenwicht aan de stang van de schoorsteen. ’t Maanlicht beglansde de aluminium-latten der vleugels.
‘Is ’t niet ijzig, pa, als je in zo’n diepte zakt?’ vroeg Amélie, zachtjes trappelend op raamshoogte.
‘Ijzig!’ zei hij, °t goddelijke is, dat je niks ziet, niks voelt. Je droomt!’ Met, te vurig van genietings-gebaar, trapte hij een pan van het dak, de eerste, die donderreutelend Chris zou kunnen opschrikken. Noch mevrouw, noch Amélie letten ’t op. Zig-zaggend over de zolder, enigszins geëmancipeerd in de vreemdlijk-heupende mansbroeken, met de te wijde pijpen, vleugel-klepperden ze in drift-koorts.
En toen ze eindlijk öp ’t dak mochten, en meneer in de schemering als ’n monsterdier zagen vliegen óver de schoorstenen en óver de linkse dakspitsing heen - meneer, die lustig ’n Henry Clay rookte,
248