minuten afstand, had het Rijk forten en schansen gebouwd. Bij de ophaalbrug liep een schildwacht. Niemand kreeg toegang. Maar boven, boven in de wolken, bij de discrete vogels en nog discreter sterren? Waar hielden de greppels, de schuttingen, de ijzerdraad-versperringen, de hekken, de muren op - waar begonnen ze in de oneindige Eenheid bóven? Waar pleegde je overtreding, waar stoornis van het wetboek van strafrecht, waar luchtvredebreuk? Je kon makkelijk en onbezonnen raak gaan vliegen, als zulke excessen in je karakter leien, doch in minimale tijd, terug op de geordende begane grond, zat je op gebrande blaren, kon je je onbesproken bestaan beklad en bevuild zien door verhalen en exploten...
‘n Eerste vlieger had geen baantje. De appel leek wrang. En dat alleen, omdat de ouwbakken wetgever de gevallen van ‘hinder, gevaar en schade’ beneden een normale hoogte van vijftien meter getaxeerd had.
Een avond, bij theevisite, waagde Pieter het voorzichtig ’n advocaat te polsen, die in het dorp ’n grote naam had, omdat-ie ’n paar maal candidaat voor de Tweede Kamer was geweest en in ’n beruchte zaak de beruchten vrij had gepleit.
‘Amice/ vroeg-ie langs z’n neus weg, ‘mag je in ’n eikeboom bij jonkheer Sannes klauteren?’
‘Natuurlijk niet,’ zei de advocaat, verbaasd over zo’n vraag bij zulk een achtenswaardige familie.
‘Zo,’ repliceerde Pieter, die z’n aanloop enigszins onhandig genomen had, ‘op z’n dak mag je zeker ook niet?’
‘Wel nee, amice - wat ben je klimlustig,’ lachte de rechtsgeleerde. ‘En als ik nou vijf en twintig meter bóven z’n dak, maar toch op z’n terrein ben/ hield de gastheer aan, helemaal nerveus door ’t ooggeknipper van mevrouw en van Amélie, die bang waren, dat-ie zich zou verpraten, dat-ie ’t ongelooflijk zolder-geheim zou verklappen, ‘als *k dertig, veertig meter bóven z’n park...’
‘Als u dat,’ lachte de advocaat, ‘als u dat doet, is u ’n vogeltje geworden en mag u redeneren, dat u zo vrij is als ’n vogel in de lucht...’
‘Je neemt me niet au serieux,’ klaagde Pieter.
‘Uw man is vanavond wel in de wolken,’ ginnegapte de advocaat; ‘ik heb liever vaste grond onder mijn voeten, mevrouw...’
Verder drong Pieter niet aan. De dingen te zwaartillend opnemen
247