alsof-ie ’n wandelingetje maakte - toen ze de ongewoonheid van goten en dakpannen en diepten te boven waren, werden ze zó opgewonden, zó vliegbezeten, dat meneer ze kalmeren moest en meerdere dakpannen omlaagroffelden, met het resultaat, dat Chris in ’r nachttoilet en Kobus met het mes in z’n hand, juffrouw Amélie’s eerste tocht rond het dak verrasten.
‘Pa!’ riep Amélie, nog nalachend, ‘Chris en Kobus kijken uit het dakraam!’
In ’n oogwenk kwamen meneer en mevrouw aangevlogen.
‘Wat doen jullie hiér!’ bulderde meneer, voor het dakraam zwevend. ‘Chris, dat’s toch werkelijk onnet,’ sprak mevrouw, bedaard-aan-peddelend. ‘Na bed en je mond houwen!’ schreeuwde meneer. Hij had ook wel gemoedelijker kunnen praten, want Chris, de ouwe meid, te zeer besprongen door de nachtmerries van vliegende mensbeesten, dozijnen vleugels en ’t akelig-grinnikend maansikkeltje, zakte in mekaar, en Kobus, met koud-gespannen haren en ’n hart, dat te bersten klopte, holde ’t kamertje uit, de trappen af, in één zet door, tot-ie in ’t souterrain achter de gesloten deur in de dekengrot een schuilplaats had.
249