van ’n vliegmachine kon je fatsoenlijke-burger-reputatie voor jaren knakken. Dat gat herrie, gespot, geraas - niet te bèrékènèn. Als je op klaarlichte dag alleen maar in de goot wandelde, werd je voor gek versleten, had je kans, dat de politie er aan te pas kwam. Alle overheids-overwegingen baseerden op de begane grond, ontweken in haar conservatieve bouw het mateloos begrip lucht en hemel, zolang dit ongrijpbaar onnoodig bleef voor bedrijf en personeel, of zodra er na bezette tijd kleden werden geklopt. De vliegmachine plofte die lauwe, domme onverschilligheid als een zeepbel uiteen. De begane grond, waar je ’m - o, spreekwoordelijke bluf! en vol d’oiseau bekeek, was ’n ingewikkeld, raar spinneweb, ’n labyrinth van greppels, schuttingen, ijzerdraadversperringen, hekken, muren. Van je jeugd af was ’t je door vermaningen, opstoppers en dreigementen ingestampt, dat je de beslotenheid van een terrein had te ontzien. Later begreep je volkomenst de dreigende waarschuwing: Verboden toegang, ingevolge art. N.N. wetboek van strafrecht9 voelde je de kadastrale wetenschap, als een logisch-noodzakelijke. Doch nu. Het exacte, welgesnoerde van de begane grond bewoog als ’t gewarrel van dans-dronken lieden, wanneer je, als tirailleur der eenvoudigste vliegwerkelijkheid, je fantasie tot vogelvlucht zette. Pieter Zwaluw, voorzichtig staatsburger, die nog nimmer met de Overheid geharreward had, die z’n belastingen dadelijk betaalde, zonder ’n waarschuwing te wachten, die geen flauw begrip had, hoe het manend formulier van gas- of waterleiding er uitzag, die z’n villa deftigheid stormenderhand veroverde door z’n degelijke Hollandse stilte en venster-bedektheid, Pieter Zwaluw bekrauwde ernstig z’n al grijzende bakkebaarden. Het vliegen noch ’t voorvoelen ener huizenhoge vlucht deed ’m duizelen -: het niét in kadastrale vakken gehakt zijn der lucht, die onvoorziene anarchie boven de daken en bomen gaf ’m congesties. ‘Dit is mijn land en dat is mijn water,’ kon je sta-vast zeggen. Geen welgeschapen mens zou er zich om verwonderen. Maar het ‘dit is mijn lucht’ borrelde nog een weinig in gedachten-onthutsing. Links van zijn villa was een uitgestrekt villa-terrein met bossen en vijvers van een zonderling jonkheer. Geen der buren had er iets anders gezien dan het afsluitend struikwerk. Als hij, Pieter, uitvloog, bleef ’m niets meer geheim, zag-ie de paden, het huis, tot in finesses. Dat mocht en het mocht niet. Een vogel op je erf mocht je schieten, maar ’n mens? Rechts van de villa, op ’n tien
246